Verdieping De missie als meetlat

In het (bijna) post-corona tijdperk is er reden voor optimisme. Ja, het slagveld overziend zullen we de gevolgen van de crisis nog een tijd blijven voelen. In de vorm van bedrijven in de kunst en cultuur die flink door hun reserves heen zijn, in makers die iets anders zijn gaan doen, in ondersteunende bedrijven en professionals die het water inmiddels aan de lippen staat. Dat is allemaal waar, en voor veel mensen betekent dat een grote impact op hun professionele en persoonlijke leven.

Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan: makers willen maken, op een podium staan, een werk scheppen. De podia willen graag mensen bij elkaar brengen, instellingen willen weer werken laten zien. O, en het publiek wil zeker weer bezoeken, feesten en erbij zijn, daar kunnen we gerust op zijn. Dat het niet een grote goed-nieuws-show wordt, is evident. Maar we mogen (binnenkort) weer, er is hoop.

Dus hoe zal dat gaan? Pakken we het eerste het beste concert waar tickets voor te krijgen zijn gelijk? Of voor die expositie waarvan je de kunstenaar eigenlijk nauwelijks kent, gewoon om weer eens onder de kunstliefhebbers en in het museum te zijn? Of gaat het publiek juist kritisch cherry-picken, op zoek naar die ene ‘unieke’ ervaring, en bewaren we die iets minder vooraanstaande kunstenaar maar voor een volgende keer?

In ieder geval moeten we als kunstsector weer aan de slag: laten zien dat we er zijn, dat het betekenis en zeggingskracht heeft wat er gemaakt wordt. Dat klinkt mogelijk bekend: in het tijdperk van staatssecretaris Rick van der Ploeg was ‘ondernemerschap’ het adagium: er mocht zeker subsidiegeld naar de sector, maar de ontvangers moesten zelf ook geld uit ‘de markt’ binnenhalen. Een norm van 15 en later 22% werd geformuleerd, als het minimum inkomstenquotum dat een kunstbedrijf op ondernemende wijze moest halen. Gemor in de sector over kwantitatieve boven kwalitatieve doelen ten spijt, is die norm nog altijd informeel geldig: heb je minder dan een kwart eigen inkomsten, dan heb je wel wat uit te leggen.

In twintig jaar tijd is het accent wel wat verschoven. Natuurlijk, ondernemerschap en omgevingsbewustzijn zijn nog altijd relevant, maar het accent ligt tegenwoordig meer en meer op de codes: Diversiteit en Inclusie, Governance en Fair Practice. Makers en instellingen worden geacht inclusief te denken, moeten hun bestuurlijke structuur transparant en integer opzetten, moeten hun mensen een eerlijke vergoeding geven.

En dat is logisch: iedereen snapt dat we een meer inclusieve cultuursector nodig hebben, dat het niet goed is wanneer een bestuur al twintig jaar in dezelfde samenstelling bevroren in zijn of haar rol zit en dat musici met een conservatoriumdiploma niet voor een T-shirt en twee consumptiebonnen een concert horen te geven. Maar voor de makers is het ook weer een verplichting om aan te voldoen, weer een hoepel om doorheen te springen. Weer een eis in de fondsaanvraag. Weer een gang naar de notaris en de KvK. Terwijl het toch om het maken en presenteren gaat, zou je zeggen.

Hier ook geen pleidooi om die codes los te laten. En ook niet voor minder ondernemerschap. Wel een pleidooi om als maker of als instelling af en toe stil te staan bij waarom je dit nou eigenlijk doet en wat er om je heen gebeurt. Wat is de toegevoegde waarde van je werk ten opzichte van wat er verder gemaakt wordt, en wees dat ook eerlijk tegen jezelf: hoe doen je vakbroeders annex concurrenten het, en waar zijn zij goed in?

Zo'n goede missie/visie is ook, vanuit goede governance, van belang bij het bepalen van je koers. De directeur van een poppodium vertelde een keer dat het hoofd horeca een heel ander beeld van het bedrijf had dan de programmeur – dat is natuurlijk best raar, en gewoon niet wenselijk als je iedereen in het podium voor hetzelfde idee wilt motiveren. Zeker als er routinematig of intuïtief beslissingen worden genomen over de dag-tot-dag bedrijfsvoering, dan kun je maar beter allemaal hetzelfde einddoel voor ogen hebben.

Of een klassiek ensemble dat op de vraag waarom ze dit nou eigenlijk deden uiteindelijk stilvielen, overigens wel na een substantiële opsomming van alle masterclasses en prijsconcoursen waaraan de leden hadden deelgenomen. Oké, dus je speelt virtuoos een instrument: dat is mooi, maar waarschijnlijk wel eerder een middel tot een doel dan een doel op zich. Net zoals een grote hoeveelheid consumpties verkopen niet het einddoel van het hoofd horeca van dat poppodium zou moeten zijn (wel ondernemend overigens).

Dus hier een pleidooi voor een goede missie, een goede stip op de horizon: waarom doe je wat je doet? Waarom zouden mensen naar je werk komen en de prijs voor een kaartje betalen? Wat voegt dat toe aan wat er al is? En heb je scherp voor ogen wat er verder allemaal eigenlijk al is en hoe jouw werk of jouw initiatief zich tot andere makers en instanties in de markt verhoudt? Het helpt zeker om dat een keer op te schrijven, en dat levert vaak een bruikbaar stuk op voor zo’n fonds-, lening- of subsidieaanvraag. En laat uit die missie dan ook wel het DNA en de ‘look and feel’ van jou als maker of van jullie als cultureel bedrijf spreken. Want het helpt wel als je je missie als meetlat kunt gebruiken voor jou en jouw bedrijf, dat je bij ieder project kunt bedenken dat je dat wel of niet uitvoert op grond van de missie die eerder gedefinieerd is.

Meestal helpt het dan als de betrokken maker of de betrokken instelling goed voor ogen heeft wie dat (beoogde) publiek is voor het werk. Ga je voor de grote gemene deler? Dan heb je diepe zakken nodig om de ‘nationwide’ marketingcampagne op poten te zetten. Heb je die niet, maak dan keuzes, gebaseerd op de vraag welke mensen het gemakkelijkst te bereiken zijn en het meest opbrengen, hetzij in termen van geldopbrengst alsook in termen van maatschappelijk draagvlak. En dan is het bijvoorbeeld goed te weten dat Soldaat van Oranje – een van de grootste publiekstrekkers in de Nederlandse podiumkunsten – zich in eerste instantie focuste op publiek binnen een straal van 40 km rondom het theater in Valkenburg. Kyteman bouwde zijn reputatie ook van kleins af aan op onder de mensen die ‘live’ bij de concerten waren, en wist dus heel goed wie die mensen waren.

Dus het is niet zozeer de vraag wie je graag in de zaal zou willen zien, als wel welke mensen het meest kansrijk zijn om als eerste te bereiken, met de middelen die je redelijkerwijs tot je beschikking hebt of denkt te zullen hebben. De missie als meetlat is dus ook bedoeld om zo’n keus zo scherp mogelijk te maken.

Pieter van Adrichem
Pieter van Adrichem. Fotograaf: Anne-Marie Michels

Over Pieter van Adrichem

Pieter van Adrichem (1965) is als freelancer actief in de podiumkunsten, gespecialiseerd in interim management, cultuurbeleid, marketing en funding. In het verleden werkte hij voor o.a. Amsterdam Dance Event, Bimhuis, Rotterdams Philharmonisch Orkest en Toneelgroep Amsterdam. Opdrachtgevers de afgelopen jaren waren onder andere Paard Den Haag, Eurosonic Noorderslag en NDSM Werf. Pieter van Adrichem is verbonden aan Cultuur+Ondernemen als adviseur in adviestrajecten met culturele organisaties en kunstenaars.

Route Ondernemerschap 2021

Wil je zelf aan de slag om goede jouw stip op de horizon te zetten? Want dit is nog best lastig om zelf aan te werken. Je hoeft dit niet alleen te doen. In het leerprogramma Route Ondernemerschap werk je aan jouw 'waarom'-vraag. We geven je praktische adviezen en feedback, zodat jij een basis krijgt om weer vele jaren op voort te kunnen. Er is nog plaats beschikbaar in het traject Overijssel, Amsterdam en Gelderland dit najaar.

Krista Heijster

Krista Heijster

Projectleider zakelijk ontwikkelen